Je kent het wel, Duitse woordjes die op elkaar lijken maar die je niet door elkaar kunt gebruiken, want dat zorgt voor verwarring en misverstanden bij je Duitse gasten en klanten.
Een paar voorbeelden?
wenn > als, indien. Voorbeeld: Wenn Sie noch Fragen haben, bitte lassen Sie uns das wissen.
wann > wanneer, aanduiding van een tijdstip. Voorbeeld: Wann fahren Sie ab?
nach > naar een stad of land, naar links of rechts. Voorbeeld: Morgen fahren wir nach Groningen. Of: Bei der Kreuzung gehen Sie nach links.
zu > in alle andere gevallen naar iemand of iets toe. Voorbeeld: Ich komme gleich zu Ihnen!
Let op deze vaste uitdrukkingen:
Morgen fahren wir nach Hause.
Um 20 Uhr sind wir zu Hause.
denn > want. Voorbeeld: Ich komme nicht, denn ich bin krank.
dann > dan, vervolgens. Voorbeeld: Zuerst trinken wir etwas, dann bestellen wir das Hauptgericht.
ob > of, als voegwoord. Voorbeeld: Ich werde fragen, ob das möglich ist.